Systeemconfiguratie
Systeemconfiguratie
Inleiding systeemconfiguratie
In dit hoofdstuk wordt de werkwijze behandeld om een systeem te configureren. De software is zodanig opgebouwd dat een systeem snel kan worden geconfigureerd. Op de USB-stick bevindt zich een Quick Start handleiding die de configuratiestappen 1 voor 1 doorloopt. Het systeem bestaat uit 2 delen te weten de hardware en de software:
Hardware
PC/Server: Hierop draait de toegangscontrole software.
Panelen: Ook wel genoemd panelen of centrales. Zowel de oude als de nieuwe panelen kunnen worden aangesloten op de CA4000 software al kennen de oude panelen wel wat beperkingen. Oude panelen zoals de Microterm, Smarterm, Superterm, nieuwe panelen zoals de UniVerse, Super-2, Turbo-Superterm, Accelaterm.
Kaartlezers: Smartcard 13,56 MHz lezers zoals de Mifare serienummer lezers, Mifare Sector/applicatie lezers, iClass lezers. Standaard 125KHz Proximity lezers, Magneetstriplezers, Wiegand lezers, Barcode lezers, Biometrie lezers, Lange afstand lezers, Kentekenplaat lezers, Insliklezers, zenders/ontvangers etc.
Eisen firmware van de panelen
De toegepaste panelen zijn voorzien van een zogenaamde firmware opgeslagen in een Eprom. Bij de nieuwe panelen kan de firmware via de software opgewaardeerd worden. Bij de Microterm en Smarterm panelen dient de Eprom te worden vervangen.
Software
Om de software en hardware met elkaar te kunnen laten communiceren dient de PC/Server aan een aantal eisen te voldoen. PC/Server eisen of PC specificaties zijn richtlijnen voor een PC of server.
Systeemeisen
De eisen die het toegangscontrolesysteem aan de PC/Server stelt zijn sterk afhankelijk van een aantal factoren zoals:
Hoeveel panelen (panelen, centrales) worden er nu en in de toekomst aangesloten?
Hoeveel kaarthouders gaan er gebruikt worden?
Wordt het een Single-user of Multi-user systeem? Met hoeveel gebruikers gaan we gelijktijdig het systeem beheren.
Hoeveel TCP/IP verbindingen worden er gebruikt?
Op wat voor een besturingssysteem gaat het draaien?
In het kort, hoe groot wordt het systeem, en op wat voor besturingssysteem gaat het draaien? Op de bij de software geleverde USB-stick bevindt zich een document waarin de minimale PC/Server eisen vernoemd staan.
Besturingssysteem
De CardAccess 4000 software draait onder een aantal besturingssystemen en de database kunnen we plaatsen op een aantal MS SQL platforms. Bekijk het document systeemeisen om na te gaan welke besturingssystemen geschikt zijn.
Com-poort definitie
Na het installeren van de software dient te worden aangegeven met behulp van het menu Communicatie poorten met welke com-poort we gaan communiceren. CA4000 gebruikt een aparte communicatiedatabase om te kunnen communiceren met de panelen. Het is tevens mogelijk om meerdere communicatieservers in te richten. Via de knop Nieuwe server kan een extra communicatieserver worden aangemaakt. Let erop dat hier een uitgebreidere licentie voor nodig is. In de bestaande communicatie server kunnen we via dit scherm meerdere COM poorten aanmaken.
Het volgende scherm verschijnt:
Op het tabblad COM poorten kunnen de volgende instellingen worden ingevoerd:
• Com Server Omschrijving: Selecteer hier de juiste communicatieserver. Toont de naam waarop de communicatie server draait.
• UNC naam: Selecteer hier de juiste UNC. Toont de UNC naam waar de communicatiedatabase staat.
• Groep: Toont de partitie waarmee we rechten hebben op deze database.
• Werkstation #: Toont het werkstation nummer.
• Lokale COM service: Toont of de server actief is.
Via het onderste gedeelte van het scherm kunnen we meerdere COM poorten aanmaken. Achter elke COM poort kunnen we 1 of meerdere panelen plaatsen. Alle panelen behalve de Accelaterm kunnen door elkaar heen worden gebruikt. Elke Accelaterm dient op een aparte COM poort te worden aangesloten.
Met de knoppen COM poort toevoegen en COM poort verwijderen kunnen we nieuwe COM poorten aanmaken en bestaande verwijderen.
• Compoort: Toont de toegewezen COM poort (we kunnen maximaal 256 COM poorten per server aanmaken
• Type: Maak een keuze uit: Netwerk, Modem, Kabel, Niet gebruikt. Draadloos is niet van toepassing.
• Baud rate: Selecteer hier de juiste Baudrate. O bij Netwerk en 9600 bij Microterm en Smarterm.
• IP adres: Voer hier het IP adres in van de netwerk unit waarmee verbinding wordt gemaakt.
• IP Poort: Voer hier de IP poort in van de netwerk unit waarmee verbinding wordt gemaakt.
• Niet pollen: Selecteer deze optie als het paneel waarmee u communiceert op Event driven moet staan. Er wordt dan alleen gecommuniceerd als er iets gecommuniceerd moet worden bij een wijziging of een transactie. Er kan dan maar 1 paneel op deze COM poort worden aangesloten. Deze optie wordt niet ondersteund door Microterm’s en Smarterm’s.
• UTC Zone: Selecteer hier de juiste UTC zone waarin het paneel zich bevindt.
• Wachtwoord Per communicatiepoort kan een wachtwoord worden ingesteld. Deze optie zorgt ervoor dat een onbevoegd persoon geen verbinding kan krijgen met deze lijn.
Het is met de CardAccess 4000 software mogelijk om via een netwerk te communiceren. Op elke locatie waarmee wordt gecommuniceerd komt dan een zogenaamde netwerk module. Elke netwerk module krijgt een uniek IP adres binnen het netwerk. Er zijn losse modules verkrijgbaar (MSS200, MSS201) die je op het netwerk aansluit via een RJ45 stekker. De andere zijde wordt met een RS232 kabel verbonden met het paneel. Er zijn ook netwerk modules beschikbaar die je rechtstreeks op het paneel kunt plaatsen (MSS301, MSS801). Deze worden via een RJ45 connector met het netwerk verbonden.
Paneel / Paneeldefinitie
Inleiding / Algemeen
Om het paneel te laten communiceren met de software dient het paneel te worden aangemaakt in de software. Elke paneel/ paneel moet worden gedefinieerd. Selecteer uit het hoofdmenu ‘Configuratie de optie ‘Panelen’ om naar het volgende menu te gaan.
Alle panelen / panelen kunnen door elkaar worden gebruikt in één enkele communicatielijn. Er kunnen meerdere communicatielijnen beschikbaar gemaakt worden via het menu Com-poorten. Alleen de Accelaterm kan niet i.c.m. andere panelen in 1 lijn worden gebruikt. Elke Accelaterm dient op een aparte COM-poort te worden aangesloten.
Om een paneel toe te voegen dient het paneel te worden voorzien van een naam, een nummer, een paneel adres en een COM-poort nummer. Daarnaast dien het paneel actief te staan.
Telkens als op de knop “Nieuw” wordt gedrukt selecteert de software automatisch het eerste vrije paneel nummer.
Binnen een CardAccess installatie is het paneel nummer altijd uniek. Het paneel adres kan meerdere keren voorkomen. Per COM-poort beginnen we steeds met adres 1. Dus als je vier Com-poorten in gebruik hebt, komt het paneel adres 1 vier keer voor.
Uitleg van de volgende menu velden:
• Naam apparaat: Naam van het paneel plus eventueel de plaats waar het paneel zich bevindt. Bijvoorbeeld Paneel 01 Meterkast BGG.
• Groep: Een eventuele groep waarin het paneel zit.(Databasepartitie)
Tabblad Paneel Algemeen
• Paneel #: Uniek Paneelnummer dat automatisch oploopt bij aanmaken van een nieuw paneel.
• Paneel Type: Selecteer hier het toegepaste toegangscontrole paneel. Na een download zal CardAccess het paneel automatisch herkennen.
• Kalender: Kies hier de kalender die voor het paneel van toepassing is.
In het deel connectie/verbinding wordt het fysieke adres opgegeven dat op het paneel is ingesteld (via de dipswitches). Tevens wordt hier aangegeven met welke communicatiepoort van de PC/Server dit paneel is verbonden.
LET OP!
Hoogste hardware adres dat kan worden ingesteld op de Microterm bedraagt 31. Alle andere panelen ondersteunen adressen tot 63.
• Paneeladres: Moet altijd overeenkomen met hetgeen is ingesteld op het paneel (dipswitches). Raadpleeg hiervoor de technische beschrijving van het gebruikte paneel. Dubbele adressen in 1 lijn zijn NIET toegestaan. Per communicatiepoort maximaal 63 adressen.
• Com server naam: De PC /Server waarop dit paneel zit aangesloten.
• COM poort: De communicatiepoort van de PC/Server waarmee het paneel is verbonden.
• Zone: Bij Zone is te zien op welke zone het paneel is gedefinieerd. Daarnaast is te zien op welk IP adres de netwerk module staat van deze COM poort.
• Activeren: Met behulp van deze vink kan een paneel worden aan- of uitgezet.
• Interactiviteit: Schakelt de optie Interactiviteit in. Interactiviteit zorgt ervoor dat kaarthouders alleen in het paneel worden geladen als ze daadwerkelijk bij een lezer gebruikt zijn. Deze functie bespaard geheugen in het paneel.
• Herhaal Off-line melding: Zorgt dat elke 3 minuten een melding op het scherm verschijnt indien er geen verbinding meer bestaat tussen pane(e)l(en) en software.
• Gebruik liftlezers: Activeert de liftfunctie. Microterm ondersteund deze functie niet. Normaal altijd UIT laten staan.
• Wachtwoord actief: Als deze functie is geactiveerd wordt het wachtwoord dat bij de communicatiepoort is opgegeven opgeslagen in het paneel. Normaal altijd uit laten staan.
• Verlaagde mode aan: Zorgt dat het paneel continue in verlaagde mode staat (Alle kaarten die de juiste project code hebben worden dan binnen gelaten. Deze optie wordt vaak tijdelijk gebruikt om een nieuw systeem snel werkend te maken totdat de kaarten zijn ingevoerd. Het is wel van belang deze functie daarna uit te zetten.
Geheugen parameters.
Met deze instellingen kunnen we bepalen hoe het geheugen van het paneel wordt ingedeeld.
• Grootte transact. Buffer: Heeft standaardwaarde 1000. Deze waarde houdt in dat als het paneel geen verbinding heeft met de PC/Server er maximaal 1000 transacties worden opgeslagen.
• Tijdzoneblokken: Maximaal te gebruiken tijdzoneblokken per paneel.
• Toegangsgroepen: Maximum aantal toegangsgroepen die het paneel kan opslaan.
• Activiteitenlinks: Maximum aantal activiteitenlinks die het paneel kan opslaan.
Door één van de vier instellingen te verkleinen kunnen meer kaarthouders worden opgeslagen.
TIP!
Maak zoveel mogelijk gebruik van de standaardwaarden. Deze zijn voor nagenoeg alle situaties de meest ideale.
LET OP!
Het aantal kaarten die kunnen worden opgeslagen verschilt per paneel en softwareversie.
TIP!
Door de muis over het onderste gedeelte van het scherm te bewegen verschijnt er een extra regel waaruit het volgende is op te maken:
Firmwareversie paneel. In het voorbeeld S30503
Maximum aantal kaarten die geladen kunnen worden. In het voorbeeld 17745
Maximum aantal kaarten die geladen zijn. In het voorbeeld 54
Maximum aantal toegangsblokken die geladen kunnen worden. In het voorbeeld 409
Maximum aantal toegangsblokken die geladen zijn. In het voorbeeld 1
Maximum aantal transacties die hij standalone kan onthouden. In het voorbeeld 1092
Het tabblad Prioriteiten
Met behulp van prioriteiten wordt aangegeven hoe belangrijk een transactie is. Laag nummer is belangrijk (hoge prioriteit), hoog nummer is minder belangrijk (lage prioriteit). In het menu systeeminstellingen kan worden aangegeven vanaf welke prioriteit de transactie naar het alarmscherm gaat, vanaf welk prioriteit een transactie naar het transactiescherm gaat en vanaf welke prioriteit een transactie rechtstreeks op de harddisk moet worden opgeslagen.
Het tweede tabblad in het scherm definieert de verschillende prioriteiten.
De volgende velden zijn beschikbaar:
• Off/On line: Prioriteit voor verbindingsmelding (wel of geen verbinding). Standaard staat dit veld op waarde 50.
• Laden: Prioriteit voor download melding (laden gegevens naar paneel. Standaard staat dit veld op waarde 70.
• AC probleem: Prioriteit voor 230Vac spanningsmelding. (Een Microterm kan geen 230Vac spanningsuitval melden). Standaard staat dit veld op waarde 20.
• Modem activiteit: Prioriteit voor modemmelding (uitbellen). Standaard staat dit veld op waarde 50.
Indien de melding dient te worden bevestigd kan dit worden aangeven met behulp van een vink. Standaard is dit nooit ingeschakeld.
In het bovenste deel van het scherm is een overzicht aanwezig van alle gedefinieerde panelen.
Als het paneel is gedefinieerd en wordt opgeslagen dan start direct de poging tot communicatie met het paneel. Dit houdt in dat de software direct het paneel begint te zoeken. Indien het paneel is gevonden, zal dit kenbaar worden gemaakt door een aantal meldingen in het transactiescherm.
• Paneel Data, Laden door paneel Het paneel vraagt zelf een download aan.
• Paneel Data, Laden gestart De PC geeft aan dat het laden is gestart.
• Paneel Data, Laden compleet De PC geeft aan dat het laden gereed is.
Indien geen verbinding kan worden gemaakt met het paneel dan ontstaat de melding:
• Paneel Data, Geen verbinding
In het derde tabblad kan men zien of het paneel aan een plattegrond is gekoppeld.
In het vierde tabblad kan men eventuele opmerkingen kwijt.
Status verbinding
We kunnen via het status scherm bekijken of het paneel of de panelen verbinding hebben. We openen het Status scherm via de knop Status in de werkbalk.
Het volgende scherm verschijnt. Via het tabblad Paneel status kunnen we zien of er verbinding is.
Via dit scherm is te zien of er verbinding is.
Afhankelijk van het aantal gebruikte panelen zal het scherm zijn gevuld. De velden hebben de volgende betekenis:
• Paneel: Paneel nummer in software.
• Versie: Status paneel en firmware versie van het paneel.
• Omschrijving: Naam paneel.
• COM poort: COM poort waarop het paneel is aangesloten.
• Paneel adres: Adres van het paneel.
• Werkstation: Werkstation of communicatieserver waarmee het paneel communiceert.
• Max. kaarten: Maximaal aantal kaarten dat kan worden opgeslagen in het paneel.
• Geladen: Het aantal kaarten die op dit moment zijn opgeslagen in dit paneel.
• Max. ALP: Maximaal aantal Activiteiten Link Programma’s die zijn opgeslagen in het paneel.
• Max. Xact.: Maximaal aantal transacties dat kan worden opgeslagen in het paneel.
• Xacts: Aantal transacties die er nu nog in het paneel zitten.
• Max. Ag.: Maximaal aantal toegangsgroepen dat kan worden opgeslagen in het paneel.
• AG Blks: Maximaal aantal toegangsgroep blokken opgeslagen in het paneel.
• ExpMem: Hoeveelheid extra geheugen in het paneel aanwezig.
• EXP IO: Hoeveelheid aangesloten Input / output kaarten.
• Threadcount: Eventuele fouten in de communicatie. Door op dit vakje dubbel te klikken is deze waarde weer op nul te krijgen.
• PPS: Dubbele fouten, Aantal keren dat de PC de data opnieuw moest verzenden. Door op dit vakje dubbel te klikken is deze waarde weer op nul te krijgen.
Kaartlezer definitie
Inleiding / Algemeen
Na het definiëren van de panelen moeten de kaartlezers worden aangemaakt. Ook hiervoor geldt dat nooit het type kaartlezer hoeft te worden opgegeven. Het kaartlezer nummer dat wordt aangemaakt moet corresponderen met de lezer ingang op het paneel (de nummering staat altijd vermeld in de handleiding van het betreffende het paneel).
Selecteer uit het hoofdmenu ‘Configuratie’ de optie ‘Lezers’.
Het volgende scherm verschijnt:
Via dit scherm kunnen bestaande lezers worden gewijzigd, verwijderd of worden aangemaakt. Het is mogelijk dat de lezers automatisch worden aangemaakt indien het paneel is toegevoegd. Hiervoor moet de optie ‘Automatisch lezers aanmaken’ aan staan in het menu ‘Systeem instellingen’. Zie de volgende schermafdruk.
Afhankelijk van de instellingen in het scherm “Systeem instellingen” komen verschillende tabbladen vrij.
Het scherm bestaat standaard uit minimaal 5 tabbladen en maximaal 9:
• Algemeen: Alle instellingen van algemene aard.
• Deur sturing: Alle instellingen die met de sturing van de lezer te maken hebben.
• Opties: Extra opties voor de lezer.
• Categorietellers: Instelscherm voor de calamiteiten- en teller functie.
• Prioriteiten: Prioriteiten per lezer.
• Lift toegangsgroepen: Hier kunnen per toegangsgroep de juiste relais worden geselecteerd.
• DVR: Voor het configureren van camera’s.
• Plattegronden: Plattegrond instellingen.
• Locatie/Opmerking: Eventuele Locatie/Opmerkingen per lezer.
In het bovenste deel van het scherm is een overzicht beschikbaar van alle geprogrammeerde kaartlezers.
Opmerking
Het tabblad Algemeen
• Naam apparaat: De naam van deze deur / kaartlezer.
• Groep: Hier is te zien van welke partitie(s) deze lezer deel uitmaakt.
Het tabblad Algemeen omvat de volgende instellingen:
• Paneel: Kies een paneel uit de lijst van aangemaakte panelen.
• Lezer #.: Nummer dat moet corresponderen met de lezer ingang vermeld op het paneel (zie handleiding van het betreffende paneel).
• Lezer type: Lezer wordt ingesteld als zijnde:
Deur (normaal gebruik).
Kaart activeren; Hiermee kan een receptioniste kaarten geldig en ongeldig maken.
Lift (als zijnde lezer in lift).
• Toewijzen aan toegangsgroep van lezer:
Nieuwe lezers direct toevoegen aan bestaande toegangsgroepen.
• Activeren: Staat standaard aan en activeert de kaartlezer.
• Meldt bypass: Bij gebruik van een bypass knop wordt deze gemeld.
• Bypass opent deur: Bij gebruik van een bypass knop opent deze ook daadwerkelijk de deur.
• Meld geldige kaart niet: Geeft nooit transacties van geldige kaarten op het transactiescherm weer (optie staat standaard uit).
• Toegang buiten TZ: Verleent kaarten toegang indien deze een toegangsgroep hebben die geldig is voor deze kaartlezer, ook buiten de tijdzone die daarvoor is gebruikt (optie staat standaard uit).
• Meld toegang na openen: Meldt de toegang pas na reëel openen van de deur. Hiervoor is een deurcontact vereist (optie staat standaard uit).
• Badge Use Limit controller: Met deze functie verlagen we de teller van de kaart met 1.
• Escort lezer: Geeft aan of deze lezer / deur een escort functie bevat
• Alarm Shunt lezer: Maakt van deze lezer een alarm shunt lezer. Dit houdt in dat op deze lezer ingangen op scherp en onscherp kunnen worden gezet.
Het tabblad Deur sturing
Het tabblad Deur sturing omvat de volgende instellingen:
• Alleen kaart tijdzone: Wordt vaak gebruikt in combinatie met een pincodetableau. Zo is het mogelijk te schakelen tussen diverse modes (overdag alleen kaartgebruik, ’s avonds kaart+pin). Standaard wordt deze optie niet ingevuld.
• Deur vrij tijdzone: Zorgt ervoor dat de deur binnen de gekozen tijdzone ontgrendeld is en toegankelijk is zonder kaart.
• Verlaagde mode tijdzone: Zorgt ervoor dat de deur / lezer binnen de gekozen tijdzone in de verlaagde mode staat (alleen toegang op basis van projectcode).
• Ingang deurcontact: Geeft de fysieke ingang van het aangesloten deurcontact aan (zie hiervoor de handleiding van het gebruikte paneel). Dit contact is standaard geconfigureerd als normaal gesloten. Zet dit veld op waarde 0 als er geen deurcontact wordt gebruikt.
• Ingang bypass: Geeft de fysieke ingang van de aangesloten bypass knop aan (zie hiervoor de handleiding van het gebruikte paneel). Dit contact is standaard geconfigureerd als normaal open. Zet dit veld op waarde 0 als er geen bypass wordt gebruikt.
• Deur relais: Het relaisnummer dat moet schakelen om de deur te ontgrendelen (standaard een oneven getal behalve bij de Microterm lezer 2). Voor specificaties zie de handleiding van het betreffen het paneel.
• Met PIN: Geef hiermee aan of een pincodetableau wordt gebruikt.
• Geen dwang: Standaard is bij gebruik van een pincodetableau de dwangfunctie ingeschakeld. Dit houdt in dat een speciale melding op het scherm ontstaat na een dwangcode. Ook is het mogelijk de dwangcode een console relais (relais 73) te laten schakelen. De dwangcode is 4 x het eerste cijfer van de te gebruiken code.
• Gemeenschap. PIN: Gezamenlijke code (voor elke gebruiker gelijk). Indien de card-key-in mode wordt gebruikt (code gebruiken en invullen als kaartnummer) dient hier 4 x de F te worden ingevuld.
• Kaart + PIN TZ: Tijdzone voor kaart + PIN gebruik.
• Gemeenschap. PIN TZ: Tijdzone voor alleen PIN gebruik.
Het tabblad Opties
Het tabblad Opties omvat de volgende instellingen:
• Shunt relais: Extra relais dat samen met het strike (slot) relais op komt. Valt af wanneer het deurcontact weer normaal is.
• Deur ontgrendel tijd: Tijd in sec. dat het strike (slot) relais wordt bekrachtigd.
• Slot sturing: Standaard op waarde “Bij open”. Deze instelling is speciaal voor deurmagneten met een ingebouwd deur (reet) contact. Zet deze instelling op de waarde “Op timer” indien gebruik wordt gemaakt van zo’n magneet.
• Type voor aan/afwezig: De lezer configureren als klok-in of klok-uit lezer.
• 2-kaart lezer type: Ervoor zorgen dat twee kaarten worden aangeboden alvorens de deur wordt geopend.
• Tijd bij 2-kaart gebruik: De tijd waar binnen de twee kaarten dienen te zijn gelezen.
• Vertraag forceren: Geeft een vertraging in seconden bij een geforceerde deurmelding (ontstaat als het deurcontact wordt geopend zonder een geldige kaart of bypass). Normaal is de vertraging 0.
• Standaard APB type: Maak een keuze uit neutraal (standaard), in of uit. Hiermee wordt de anti-pass-back situatie ingesteld.
• van APB zone: Vul hier de zone in die men verlaat met deze lezer.
• naar APB zone: Vul hier de zone in die nadert met deze lezer.
• Toegang ondanks APB: Geeft altijd toegang en overruled hiermee de anti-pass-back regels.
• APB tijdvertraging: Tijd gestuurde anti-pass-back. Na de ingestelde tijd in minuten wordt de kaart weer als geldig gezien. Dit werkt ook bij neutrale lezers. In het scherm kaarthouder dient dit per kaart te worden aangegeven.
Deur te lang open instellingen
• TLO vertraging: Tijd in seconden voordat een deur de melding “Deur te lang open” geeft. Deze melding kan ontstaan als een deur open wordt gehouden na een geldige transactie of bypass. Standaard staat deze op 30 sec. (Na 30 sec. komt de melding “Deur te lang open” op het scherm).
• Herhaal deur TLO alarm: Tijd waarna de melding “Deur te lang open” opnieuw verschijnt.
• Deur TLO tijdzone: Tijdzone waarin de melding “Deur te lang open” verschijnt.
Het tabblad Categorie tellers
Met behulp van het tabblad “categorie tellers” kunnen er tel functies en calamiteiten functies worden ingesteld.
• Categorie teller sturing: Hierin wordt geselecteerd of deze lezer de categorie teller verhoogd, verlaagd of niet wijzigt bij het aanbieden van een kaart of sleutel.
• Categorie tellers: Hier wordt aangegeven welke categorie teller van toepassing is.
• Categorie filter: Hier wordt aangegeven bij welke kaart of sleutel de categorie teller verhoogd of verlaagd dient te worden.
Het tabblad Prioriteiten
Met behulp van prioriteiten wordt aangegeven hoe belangrijk een transactie is. Laag nummer is belangrijk (hoge prioriteit), hoog nummer is minder belangrijk (lage prioriteit). In het menu systeeminstellingen kan worden aangegeven vanaf welke prioriteit de transactie naar het alarmscherm gaat, vanaf welke prioriteit een transactie naar het transactiescherm gaat en vanaf welke prioriteit een transactie rechtstreeks op de harddisk moet worden opgeslagen.
Het tabblad Prioriteiten omvat de volgende instellingen:
Aan elke transactie die door een lezer wordt gegenereerd kan een prioriteitsnummer worden gekoppeld. Daarnaast kan op de meldingen die links in het scherm staan ook het console relais (relais 73) worden geschakeld. Zet hiervoor een vinkje bij de betreffende optie.
De optie “Moet bevestigd worden” geeft aan dat de ingelogde operator de melding in het alarmscherm handmatig moet bevestigen. Alle waarden die boven in het scherm staan, zijn de standaardwaarden. Als alle velden en tabbladen zijn ingevuld, is de kaartlezer gedefinieerd en klaar voor gebruik. Om te controleren of alles goed is aangesloten en goed is gedefinieerd kan een kaart worden aangeboden op de kaartlezer. De data moet nu in het alarmscherm of transactiescherm verschijnen. Als dat zo is, controleer dan het nummer in het scherm met het nummer op de kaart. Deze moeten in principe met elkaar overeenkomen. Is dit niet het geval en is het nummer veel hoger dan zullen de datalijnen D0 en D1 van de lezers zijn omgedraaid. Dit dient op het paneel te worden hersteld. Mifare serienummer lezers lezen het serienummer van een Mifare kaart en dit is ook een heel hoog nummer. Dit nummer staat meestal niet op de buitenzijde van de kaart gedrukt.
Het tabblad DVR
In dit tabblad kan men DVR camera instellingen doen.
Het tabblad Plattegronden
Met behulp van het tabblad Plattegronden kan een lezer in een plattegrond worden geplaatst.
Het tabblad Locatie/opmerkingen
In dit tabblad kan men opmerkingen invoeren.